Sitemap | Suche | Kontakt |
Albino Luciani > Teksten en toespraken






Algemene audiŽntie op woensdag 20 september 1978

"De hoop"


 

geluidsfragment in het Italiaans

 

De tweede van de zeven 'lampen op weg naar heiliging' was voor Paus Johannes de hoop. Vandaag spreek ik over deze deugd, die verplicht is voor ieder christen. Dante in zijn 'Paradiso' (zang 24, 25 en 26) beeldde zich in een examen te moeten ondergaan over het christendom. Er trad een eerste klas examen-commissie op. "Heb je het geloof " vroeg hem als eerste Petrus. "Heb je de hoop?" vervolgde Jacobus. "Heb je de liefde?" besloot Sint Jan. "ja - antwoordde Dante - ik heb het geloof, ik heb de hoop, ik heb de liefde"; hij bewijst het en slaagt met de hoogste cijfers.

 

Ik heb gezegd, dat de hoop verplicht is, daarom is ze niet iets lelijks of iets hards: integendeel, wie haar beleeft, reist in een sfeer van vertrouwen en overgave, zeggend met de psalmist: "Heer, gij zijt mijn steenrots, mijn schild, mijn sterkte, mijn toevlucht, mijn licht, mijn herder, mijn heil. Streken rond mij belegeraars neer, mijn hart zou niet versagen, stond een slagorde aanvalsgereed, ik zou nochtans gerust zijn".

 

U zult zeggen: maar is de psalmist niet overdreven enthousiast? Is het mogelijk, dat de dingen voor hem altijd goed zijn afgelopen? Neen, ze zijn voor hem niet altijd goed afgelopen. Dat weet hij ook, en zegt het, dat de kwaden dikwijls geluk hebben en de goeden onderdrukt worden. Hij heeft er zich soms ook over beklaagd bij de Heer; hij is er toe gekomen om te zeggen: "Waarom slaapt gij, Heer? Waarom zwijgt gij? Waak op en luister naar mij, Heer". Maar zijn hoop is gebleven, sterk en onverwoestbaar. Op hem en op allen, die hopen, kan men toepassen wat Paulus heeft gezegd van Abraham: "Hij heeft geloofd hopende tegen alle hoop in" (Rom. 4,18). U zult toch nog zeggen, hoe kan dat alles? Het kan, omdat men zich vast houdt aan drie waarheden. God is almachtig, God houdt enorm veel van mij, God is trouw aan zijn beloften. En het is Hij, de God van de barmhartigheid, die in mij het vertrouwen ontsteekt, waardoor ik mij noch alleen voel, noch nutteloos, noch verlaten, maar opgenomen in een heilsbestemming, die eens zal uitmonden in het paradijs.

 

Ik heb naar de psalmen verwezen. Hetzelfde vaste vertrouwen leeft in de boeken van de heiligen. Ik zou wensen, dat u een preek zou lezen, die Augustinus heeft gehouden op Paasdag over het Alleluia. Het echte Alleluia - zegt hij dan ongeveer - dat zullen wij zingen in het paradijs. Dat zal het Alleluia vol van liefde zijn; dit Alleluia van nu is het Alleluia van de hongerende liefde, dat wil zeggen van de hoop.

 

Iemand zal zeggen: maar als ik een arme zondaar ben? Ik antwoord hem, zoals ik geantwoord heb aan een onbekende dame, die vele jaren geleden bij mij kwam biechten. Zij was ontmoedigd, want - zo zei zij - ze had op zedelijk gebied een stormachtig leven geleid. 'Mag ik u vragen - zei ik - hoe oud bent u?' - 'Vijfendertig'. - 'Vijfendertig! Maar u kunt nog veertig of vijftig jaar langer leven en nog een hele boel goed doen. Dus, omdat u er berouw over hebt, in plaats van aan het verleden te denken, richt u zich op de toekomst, en begin met Gods hulp een nieuw leven'. Ik haalde bij die gelegenheid Franciscus van Sales aan, die spreekt van onze dierbare onvolmaaktheden. Ik legde uit: God verafschuwt de fouten omdat het fouten zijn. Maar van de andere kant houdt Hij op een bepaalde manier van fouten, in zoverre ze aan Hem gelegenheid geven Zijn barmhartigheid te tonen, en aan ons om nederig te blijven en begrip te hebben voor en medelijden met de fouten van de naaste.

 

Niet allen delen met mij deze sympathie voor de hoop. Nietzsche - bijvoorbeeld - noemt haar 'de deugd van de zwakken'; zij zou de christen maken tot een nutteloze, een afgescheidene, een gelatene, een die niet deel neemt aan de vooruitgang van de wereld. Anderen spreken van 'vervreemding', die de christenen zou onttrekken aan de strijd voor de menselijke ontwikkeling. Maar 'de christelijke boodschap - zo heeft het Concilie gezegd - verre er van om de mensen te onttrekken aan de taak de wereld op te bouwen, verplicht hen veeleer met een nog veel meer bindende verplichting' (Gaudium et Spes, n.34 cfr. n.39 en 57 en 'Boodschap tot de wereld' van de Vaders van het Concilie, van 20 oktober 1962).

 

Van tijd tot tijd zijn er in de loop der eeuwen ook stellingen en tendensen voor de dag gekomen van al te pessimistische christenen ten aanzien van de mens. Maar zulke stellingen zijn door de Kerk afgekeurd en zijn vergeten; dat is te danken aan een schaar van blijde en hard werkende heiligen, aan een christelijk humanisme, aan ascetische meesters, die Sainte-Beuve "les doux" heeft genoemd, en aan een godgeleerdheid met veel begrip. Thomas van Aquino, bijvoorbeeld, plaatst tussen de deugden de jucunditas, dat is de vaardigheid om - in de mate en de wijze dat zulks mogelijk is, - de dingen die men hoort en ziet te verwerken met een glimlach (cfr. 2a 2ae, q.168, a.2). Op deze manier was - zoals ik dat aan mijn leerlingen uitlegde - die Ierse metselaar vrolijk, die van de stelling was gevallen en zijn benen had gebroken. Naar het ziekenhuis gebracht, kwamen de dokter en de ziekenzuster toegelopen. 'Stakker - zei deze laatste - heb je je pijn gedaan bij het vallen?' Maar de zieke antwoordde: 'Zuster, eigenlijk niet met het vallen, maar het aankomen op de aarde heeft mij pijn gedaan'. Door het schertsen en doen glimlachen tot een deugd te verklaren was Thomas in overeenstenuning met de 'blijde boodschap' van Christus, met de hilaritas die Augustinus aanbeval, daardoor heeft hij het pessimisme overwonnen, het christelijk leven gehuld in blijheid, heeft hij ons uitgenodigd om moed te putten ook uit de gezonde en zuivere genoegens, die wij op onze weg kunnen ontmoeten. Toen ik nog een jongen was, heb ik iets gelezen over Andreas Carnegie, een Schot, die met zijn ouders naar Amerika was overgestoken en daar langzamerhand een van de rijkste mensen ter wereld was geworden. Hij was niet katholiek, maar ik ben getroffen door het feit, dat hij met aandrang terugkwam op de eenvoudige en echte genoegens van het leven. 'Ik ben in armoede geboren - zei hij - maar de herinneringen uit mijn jeugd zou ik niet willen ruilen voor die van de kinderen van miljonairs. Wat weten zij van familie-genoegens, van de lieve figuur van de moeder, die de taken vervult van (het werk doet van) de kindermeid, van de wasvrouw, van de kok, van de onderwijzeres, van engel en van heilige?' Hij had heel jong werk gevonden in een spinnerij in Pittsburg voor 56 lires maandloon. Op een avond, in plaats van hem het loon uit te betalen, zei de kassier hem te wachten. Carnegie beefde: 'Nu sturen ze mij weg'. Integendeel, nadat hij de anderen uitbetaald had, zei de kassier hem: 'Andreas, ik heb met aandacht je werk gevolgd en ben tot de conclusie gekomen, dat het meer waard is dan dat van de anderen. Ik breng je loon op 67 lires'. Carnegie holde naar huis, waar moeder huilde van vreugde over de bevordering van haar zoon. 'Over miljonairs gesproken - zei Carnegie vele jaren later, al mijn miljoenen tesamen hebben mij nooit zoveel vreugde gegeven als die verhoging van elf lires'. Toegegeven, maar die vreugden, ofschoon goed en bemoedigend, mogen toch niet te absoluut gezien worden; ze zijn wezenlijk iets, maar niet alles; ze dienen als middel, maar zijn niet het hoogste doel; zij blijven niet voor altijd maar slechts voor een poosje.

 

Paulus schreef: 'De christenen maken er gebruik van, alsof zij er geen gebruik van maakten, want de wereld die wij zien gaat voorbij' (cfr. I Kor. 7,31). Reeds eerder had Christus gezegd: 'Zoekt eerst en vooral het rijk Gods' (Mt. 6,33).

 

Om te eindigen zou ik iets willen zeggen over een vorm van hoop, die door sommigen wordt verkondigd als een christelijke hoop, maar die maar tot op zekere hoogte christelijk is. Ik zal mij nader verklaren: op het Concilie heb ook ik gestemd voor de 'Boodschap aan de wereld' van de Concilie-Vaders. Wij zeiden daarin: de voornaamste taak om te divinizzare (het goddelijke te brengen) ontslaat de Kerk niet van de taak om te umanizzare (aan het menselijke aandacht te geven). Ik heb gestemd voor de Constitutie Gaudium et Spes; ik ben ontroerd geweest en opgetogen toen de encycliek Populorum Progressio verscheen. Ik geloof dat het kerkelijk leergezag nooit met genoeg aandrang oplossingen kan aanbieden en aanbevelen voor de grote problemen van de vrijheid, van de rechtvaardigheid, van de vrede, van de vooruitgang; en de katholieke leken kunnen er nooit genoeg voor vechten dat die problemen opgelost worden.

 

Daarentegen is het verkeerd om te beweren dat de politieke, economische en sociale bevrijding samenvalt met de verlossing in Jezus Christus, dat het Regnum Dei (Rijk Gods) identiek is met het Regnum hominis (Rijk van de mens), dat Ubi Lenin ibi Jeruzalem (waar Lenin is daar is Jeruzalem).

 

In Freiburg, op de 85ste Katholikentag, is dezer dagen het thema behandeld "de toekomst van de hoop". Men sprak er over de 'wereld', die verbeterd moet worden, en het woord "toekomst" was er op zijn plaats. Maar als wij van de hoop voor de "wereld" overstappen naar die voor de individuele zielen, dan moet er ook gesproken worden over "eeuwigheid". Te Ostia, bij de zee, in een beroemd gesprek tussen Augustinus en Monica, vroegen zij zich af, "vergetend het verleden en gewend naar de toekomst, hoe toch eigenlijk wel het eeuwige leven zou zijn" (Confess. IX, n,10). Dat is christelijke hoop; dat bedoelde Paus Johannes en dat bedoelen wij, als wij, met de Catechismus bidden: "Mijn God, ik hoop van uw goedheid te verkrijgen... het eeuwige leven en de genaden, die nodig zijn om die te verdienen met de goede werken, die ik moet en wil doen. Mijn God, dat ik niet in alle eeuwigheid beschaamd moge blijven".